![]()
| Reglementaire benaming | Inrichtingen der Anti-Gasbeschermingsdienst |Etablissements du Service de Protection contre les Gaz | Et SPG | |
| Type | Arsenaal | |
| Ontdubbeld van | n.v.t. | |
| Onderdeel van | Algemene Inspectie der Militaire Fabricaten, Ministerie van Landsverdediging | |
| Bevelhebber | Majoor IMF Louis Liégeois | |
| Standplaats | Fort van Steendorp en Vilvoorde | |
| Samenstelling | Werkplaatsen Anti-Gas Materieel (1Kapt IMF Rafaël Deladrier) | Montagewerkplaats voor Filtertuigen |
| Vulwerkplaats voor Speciale Obussen | ||
| Laboratorium van Vilvoorde (Luitenant Res Raoul Bontinck) | ||
![]()
Staf/Et SPG
De Inrichtingen der Anti-Gasbeschermingsdienst (of Etablissements du Service de Protection contre les Gaz – Et SPG) maken deel uit van de “Inrichtingen voor Militaire Fabricaten” (of Etablissements de Fabrications Militaires – EFM). Deze inrichtingen beheren een aantal ateliers en andere vaste installaties die diverse wapens en uitrustingsstukken vervaardigen voor het leger. De EFM behoren tot de Territoriale Troepen en ontvangen bijgevolg hun orders van het Ministerie van Landsverdediging (MLV). Binnen het MLV ressorteren ze voor wat hun dagelijkse werking en organisatie betreft onder de Algemene Inspectie van de Militaire Fabricaten (of Inspection Générale des Fabrications Militaire – IGFM) geleid door Luitenant-generaal IMF Jamotte. De te realiseren productiecijfers voor de Et SPG, gebaseerd op de totale behoefte van het leger, worden dan weer vastgelegd door de Anti-Gasbeschermingsdienst (SPG) van de Directie voor Aan- en Afvoer van de Achterwaartse Zone (oftewel Direction des Ravitaillements et Evacuations de la Zone Intérieure – DREI), een andere dienst van het MLV die geleid wordt door Luitenant-generaal Theunis. De IGFM controleert naast de Et SPG ook nog volgende Inrichtingen voor Militaire Fabricaten:
- De Werkplaatsen voor Fabricatie van Munitie (of Ateliers de Fabrication de Munitions – AFM)
- De Koninklijke Kanongieterij (of Fonderie Royale de Canons – FRC)
- De Staatswapenfabriek (of Manufacture d’Armes de l’Etat – MAE)
- Het Arsenaal voor het Wagenpark (of Arsenal du Charroi – AC)
De actieve officieren die behoren tot de Inrichtingen voor Militaire Fabricaten en die het militair brevet behaalden van ingenieur mogen deze titel achter hun graad gebruiken. Vandaar de vermelding Ingénieur de Fabrication Militaire (IFM) of Ingenieur der Militaire Fabricaten (IMF) bij de dienstgraad van de betrokken officieren. De reserveofficieren met een academische vorming, die worden toegevoegd aan één van de Inrichtingen voor Militaire Fabricaten, mogen de titel officier-specialist (Spec) voeren.
De Et SPG werden in 1928 opgericht en vestigen zich vanaf het eind van dat jaar in het gedeclasseerde Fort van Steendorp [1]. De eerste directeur was Kapitein IMF Jean Corthouts die later als majoor de Anti-Gasbeschermingsdienst (SPG) zou gaan leiden. Aan de vooravond van de oorlog bestaan de Inrichtingen der Anti-Gasbeschermingsdienst enerzijds uit de Werkplaatsen Anti-Gas Materieel (Ateliers de Matériel Anti-Gaz – AMAG) in het Fort van Steendorp nabij Temse en anderzijds uit een laboratorium te Vilvoorde. Het AMAG bestaat uit twee werkplaatsen; één voor de fabricatie van individuele gasmaskers en de fabricatie van filterbussen voor de verluchtingsinstallaties van bunkers en forten (Atelier de Montage des Appareils Filtrant – AMAF) en een tweede atelier voor het afvullen van obussen met toxische producten (Atelier de chargement des Obus Spéciaux – ACOS). Majoor IMF Louis Liégeois, directeur van de Et SPG, bevindt zich samen met zijn staf te Brussel bij de Anti-Gasbeschermingsdienst van het DREI waar hij tevens de functie van adjunct van Maj IMF Corthouts waarneemt.

Het kanon C120mmL Modèle ’31 werd in 1931 door de Koninklijke Kanongieterij ontworpen en in de Cockerill fabrieken geproduceerd.
AMAG/Et SPG
Het AMAG is geïnstalleerd in het oude Fort van Steendorp dat zich op de linker Scheldeoever bevindt tussen Rupelmonde en Temse. Het bakstenen fort is gebouwd van 1882 tot 1892 en heette tot 1909 Fort van Rupelmonde. Tijdens de Eeste Wereldoorlog werd het fort deels door de Belgische genie vernield nadat de Belgische troepen zich terugtrokken uit Antwerpen. In 1924 werd het fort gedeclasseerd als verdedigingsbolwerk waarna de gebouwen in 1928 werden overgenomen door de Et SPG. Initieel was de hoofdopdracht van de werkplaats de productie en het testen van anti-gas beschermingsmaterieel. Een reeks verbouwingswerken tussen 1928 en 1931 brachten onder meer een stoommachine voor de eigen stroomvoorziening, een aansluiting op de tramspoorlijn “H” Antwerpen-Hamme, een reeks gebouwen voor de productie en opslag van oorlogsgassen en een grote werkplaats voor de montage van filters. Er zijn aanwijzingen dat er sporadisch gedurende één week Yperiet (of mosterdgas, een blaartrekkend middel) en Adamsiet (traangas/braakmiddel) geproduceerd werd [2]. De totale productie tijdens zo een productieweek wordt op enkele vaten van 200 liter geschat.
De aanvankelijke productie van toxische munitie door het AMAG was waarschijnlijk erg bescheiden. Zo noteerde de Dienst tot Onderzoek van Oorlogskruit en Springstoffen in een inventaris van 17 november 1933 dat er in het munitiedepot van Zedelgem alleen gasgranaten geladen met fosgeen aanwezig waren (65.887 granaten C75TR, 18.183 granaten Ob155, 2.439 granaten C155L en 1.931 granaten C120L) [3]. Met uitzondering van de munitie voor het kanon C120L M31, betrof het allicht om munitie afkomstig uit de stocks verworven aan het eind van WO1 [4].

Liggingsplan voor het in 1939 geplande laboratorium in het Fort van Steendorp. Dit gebouw moest het labo van Vilvoorde binnen het fort brengen maar werd niet gerealiseerd.
Wanneer het Belgisch leger vanaf 1935 in verhoogd tempo herbewapend werd, steeg ook de aandacht voor de productiecapaciteit op het Fort van Steendorp. In juli 1935 werd de taakverdeling bepaald tussen de Inrichtingen der Anti-Gasbeschermingsdienst (Et SPG) en de Werkplaatsen voor Fabricatie van Munitie (AFM). De aanmaak van toxische munitie wordt toegewezen aan de Et SPG. Hiervoor werd een niet-operationele vulinstallatie voor obussen (oftewel chapelle) overgebracht van Burcht (vermoedelijk van het Fort van Kruibeke) naar het Fort van Steendorp om er in eerste prioriteit granaten mee af te vullen met mosterdgas [5]. Waarschijnlijk was het AMAG ook verantwoordelijk voor de productie van brandstichtende granaten voor het C120L M31 kanon. In 1936 volgde dan een beperkt experiment met dinitrobenzeen als nieuwe springstof [6]. Vanaf 1937 werden volledig afgewerkte, lege obussen door de Werkplaatsen voor Fabricatie van Munitie aan de Et SPG geleverd voor afvulling met chemische agentia. De Et SPG zorgden ook voor het transport van de afgewerkte granaten naar het depot van Zedelgem behorende tot het Groot Legerpark (GLP), die er de munitie samen met alle andere toxische granaten opslaat [7]. Deze inspanningen resulteerden in een bescheiden aangroei van de voorraad toxische munitie met 1.000 mosterdgasgranaten voor het C75TR kanon [8]. In het voorjaar van 1938 rapporteerde de Et SPG te beschikken over een wekelijkse productiecapaciteit van 1.300 granaten. Ondanks deze productiecapaciteit lag het productieresultaat veel lager; 1.000 granaten per maand voor februari, maart en april 1938 [9]. Bij de opslag en controle van deze munitie werd nog steeds gewerkt volgens de technische voorschriften van het Franse leger. Ook werd periodiek een staal van deze munitie getest op het zeewaartse schietveld van Calais. Dit wijst op het voortzetten van de Belgisch-Franse samenwerking ondanks de opzegging van het militaire akkoord tussen beide landen in 1936.
In augustus 1939 werd een plan uitgetekend voor de uitbreiding van de installaties in het Fort van Steendorp. In de eerste plaats zou gebouw BMXXVI vergroot worden om de productie van gasgranaten op te voeren. Het eerste ontwerp voorzag voldoende ruimte voor een dagelijkse productie van 2.000 projectielen maar dit bleek tegen december 1939 te klein om de nieuwe gevraagde hoeveelheid van maar liefst 4.000 gasgranaten per dag te vullen. Van deze hoeveelheid zou een kwart bestemd zijn voor het 75mm geschut en driekwart voor de zwaardere kalibers.
Op het bouwprogramma voor 1940 stonden een verwarmingsinstallatie voor de dienstwoning van de directeur, een vergroting van de aansluiting op het tramspoor en een nieuw labogebouw voor de diensten te Vilvoorde. Dit laatste gebouw moest een beter alternatief bieden voor de mobilisatieplannen die voorzagen in een overbrenging van het labo naar de Rijksuniversiteit Gent (RUG). Geen enkele van deze uitbreidingen werd gerealiseerd voor de Duitse aanval op ons land [10].
Er werken een dertigtal arbeiders in het fort, meestal afkomstig uit de onmiddellijke omgeving. Veel van de werkkrachten zijn veteranen van WOI. De werklieden worden tijdens het productieproces geleid door drie burgerspecialisten met een academisch diploma chemie. Het betreft de ingenieurs Gaston Lamquet [11], Raoul Bontinck en O. Berger. Aan de vooravond van de oorlog staat het AMAG te Steendorp onder bevel van 1Kapt IMF Raphaël Deladrier die in maart 1939 Maj IFM Corthouts als directeur opvolgt. Hij wordt vanaf september 1939 te Steendorp bijgestaan door Kapt Raymond Chevaillier (adjunct directeur), en twee adjudanten. De directeur, zijn adjunct en de twee adjudanten betrekken een woning aan de ingang van het fort. Tijdens de verschillende fasen van het mobilisatieplan worden de effectieven versterkt met 1Kapt Aspeslagh, Kapt Spec De Rasse, Lt Spec Decroly, Lt Spec Mockel, Lt Spec Delaunoy, Lt Med Boxus, Lt Colin, Lt Vanderheyden, Lt Troquet, Lt Kettenmeyer en OLt Petit.
Labo/Et SPG
Bij afkondiging van Fase A van het mobilisatieplan op 26 augustus 1939 wordt Raoul Bontinck, één van de drie civiele ingenieurs op de loonlijst van het Fort van Steendorp, opgeroepen als luitenant van de reserve en aangesteld als hoofd van het Laboratorium van Vilvoorde. Op 9 mei bezet hij nog steeds deze functie [12].
![]()
Staf/Et SPG
Er bestond geen enkel plan om tijdens de mobilisatie al enkele werkplaatsen van de Et SPG te verplaatsen naar het westen van het land. Bij de afkondiging van het algemeen alarm, in de vroege ochtend van 10 mei, krijgen enkel de Staatswapenfabriek en de Koninklijke Kanongieterij de toelating om in te pakken en te verhuizen. Dit omdat beide inrichtingen gevestigd zijn te Luik en bij een mogelijke Duitse aanval al snel in de frontlijn zouden komen te liggen. Alle ateliers van de Et SPG dienen op hun vredesvoetlocatie te blijven werken tot aan het begin van de vijandelijkheden. Na de afkondiging van de algemene mobilisatie naar aanleiding van de Duitse inval (Fase E van het mobilisatieplan), vertrekt LtGen IMF Jamotte diezelfde ochtend nog naar het Franse Ministerie van Bewapening in Parijs om met de Fransen te overleggen waar de Belgische Inrichtingen voor Militaire Fabricatie het best naartoe gestuurd kunnen worden indien een evacuatie uit België zich zou opdringen. Net zoals het bij andere fabrieken en werkplaatsen van de EFM, wordt ook bij de Et SPG een deel van het personeel, dat tot de eerste oorlogsdag was vrijgesteld van mobilisatie, op 10 mei voor de eerste keer onder de wapens geroepen. Volgens de gegeven orders moeten de werkplaatsen van de Et SPG ook na het begin van de vijandelijkheden gewoon blijven doorwerken. De algemene inschatting was dat de frontlijn Antwerpen pas later zou bereiken.

FN – Kégresse halftrack tractor waarmee de aanhangwagens “type Z” werden verplaatst.
AMAG/Et SPG
- Staf/AMAG
Het AMAG te Steendorp zet op de eerste oorlogsdag zijn gewone werkzaamheden in verhoogd tempo voort zoals voorzien in plannen. Tijdens de eerste oorlogsdag komen meerdere reserveofficieren aan in het Fort van Steendorp. De 26ste Compagnie (26Cie) van het 1ste Regiment Speciale Vestingseenheden beveiligt de installaties van het AMAG in het Fort van Steendorp en bewaakt tevens de brug van Temse. Deze compagnie wordt bevolen door Kapitein-commandant Gaston Burgun. Het Commando van de Luchtverdediging van het Grondgebied (Commando DAT) wordt in de loop van de dag overgeplaatst van Brussel naar het Fort van Steendorp om er zijn commandopost te installeren. - ACOS/AMAG
Lt Res Spec Blaise wordt op 10 mei gemobiliseerd en meldt zich om 14u00 aan bij het AMAG. Hij wordt toegewezen aan de ACOS waar in eerste prioriteit werk gemaakt wordt van het voorbereiden van elf aanhangwagens “type Z” (oftewel “remorques Ypériteuses”). Deze taak wordt toebedeeld aan Lt Res Spec Jacques Mockel, een reserveofficier bij de Et SPG die als Doctor in de Scheikunde tot het kader van de officieren-specialisten behoort [13]. De dubbelwandige citerne-aanhangwagens “type Z” zijn naar alle waarschijnlijkheid de aanhangwagens die in juni 1939 toegekend waren aan de Versterkte Positie Luik en de Versterkte Positie Namen voor het contamineren van de invalswegen vanuit Duitsland met mosterdgas. Elk van deze aanhangwagens heeft een capaciteit van 1.100 liter mosterdgas, 100 liter dichloorethaan (oplosmiddel) en 50 kilogram chloorkalk (neutralisatiemiddel voor mosterdgas). Voor de operationele inzet van deze aanhangwagens zijn zes FN-Kégresse halftrack tractoren voorzien [14]. Aan de beide versterkte posities werden in juni 1939 ook rookpotten met mosterdgas van 5 kilogram (“pots fumigène 20″) toegekend. Deze potten konden geplaatst worden bij de springinrichtingen van voorbereide vernielingen om de vijandelijke opmars extra te bemoeilijken. In het Fort van Steendorp liggen op de eerste oorlogsdag 2.100 potten van dit type.
Labo/Et SPG
Lt Res Specialist Hauchamps wordt op 10 mei gemobiliseerd voor het Labo/Et SPG en meldt zich in de loop van de dag aan bij Lt Spec Bontinck te Vilvoorde. In het laboratorium te Vilvoorde wordt het werk voortgezet tot 14 mei 1940.
![]()
AMAG/Et SPG
- Staf/AMAG
In het Fort van Steendorp laat 1Kapt IMF Deladrier het werk in versneld tempo voortzetten. - AMAF/AMAG
In de AMAF wordt druk gewerkt om de geassembleerde gasmaskerfilters naar de eenheden door te sturen. - ACOS/AMAG
In de ACOS wordt verder gewerkt aan het vullen van artilleriegranaten met “fumigène 20″ [15].
![]()
AMAG/Et SPG
De evacuatie van de AMAG naar het westen wordt voorbereid. Er stelt zich echter een transportprobleem van zekere omvang wanneer de AMAG het fort van Steendorp zou moeten verlaten. De AMAG beschikt over bijzonder weinig eigen transportmiddelen en ligt ook ver verwijderd van het spoornet van de Nationale Maatschappij der Belgische Spoorwegen (of NMBS). Door het gehucht Steendorp loopt wel een tramlijn van de Nationale Maatschappij der Buurtspoorwegen (of NMVB), maar de aansluiting van het fort met het geëlektrificeerd tramspoornet werd nooit gebruikt waardoor de verbinding met het tramspoornet in onbruik raakte. Ondertussen wordt in het Fort van Steendorp proactief een hoeveelheid overtollig nieuw materieel (kranen, pijpleidingen en T-stukken in aardenwerk) verpakt en op een vrachtwagen Minerva 3T geladen met het oog op een mogelijke evacuatie van de AMAG naar Vlaanderen.
![]()
AMAG/Et SPG
Te Steendorp wordt verder gewerkt aan de voorbereiding van de evacuatie van het materieel van de AMAG. Ook de vernieling van enkele machines die te groot zijn voor het transport (het betreft de “appareillage B.M. XXII”) wordt bestudeerd. Ondertussen nadert de frontlijn sneller dan verwacht de stad Antwerpen en in Frankrijk zijn de Duitsers er om 16u00 in geslaagd de Maas over te steken te Sedan.
![]()
Staf/Et SPG
De Staf/Et SPG maakt zich klaar om samen met de Anti-Gasbeschermingsdient (SPG) vanuit Brussel naar Middelkerke te vertrekken.
AMAG/Et SPG
-

Goederentram van de NMVB zoals gebruikt voor de evacuatie van het mosterdgas uit het Fort van Steendorp.
Staf/AMAG
Te Steendorp wordt de productie van chemische munitie nog steeds voortgezet, maar er ontstaat een probleem omdat de geproduceerde munitie zich opstapelt in het fort. Wanneer in het luchtruim boven het fort verhoogde vijandelijke luchtactiviteit wordt waargenomen groeit het besef dat bij een eventuele luchtaanval op het fort, niet alleen het Fort van Steendorp vernield zou worden, maar dat ook de wijde omgeving besmet zou raken. Om een ramp te voorkomen beveelt 1Kapt IMF Deladrier om 11u00 om in eerste instantie de afgewerkte munitie en de voorraad “fumigène 20″ over te brengen naar het munitiedepot van Houthulst. Het transport dient met een goederentram van de buurtspoorwegen gebeuren. Steendorp had een halte op “tramlijn H” van Antwerpen naar Hamme [16]. De voorraad chemische producten en de afgewerkte munitie die opgeslagen liggen in het fort moeten naar de laadkaai van de tramlijn verplaatst worden. Initieel worden de potten met “fumigène 20” met mankracht naar de laadkaai gebracht. Om 15u00 komt een stoomtram met goederenwagons toe uit het tramdepot van Hamme waarna het laden van de tram aanvangt. Het gaat bijzonder traag vooruit, waarop de directeur van de AMAG om 18u00 bij het gemeentebestuur twintig werklozen opvordert om de laadwerkzaamheden te versnellen. Vanaf 18u00 is er ook een bestelwagen beschikbaar die over en weer moet pendelen tussen het fort en de tramhalte. Later op de avond levert de Boelwerf van Temse een aantal grote hijsbokken om de aanhangwagens “type z” op platte tramwagons te laden. Bij de firma Troubleyn wordt een trekker opgeëist om de aanhangwagens te verplaatsen. Een kleine colonne van vier vrachtwagens met munitie, onder bevel van Luitenant Res Colin, wordt langs de baan naar Roeselare gestuurd. Een bijkomend probleem dient te worden opgelost, het depot van Houthulst is namelijk niet verbonden met het tramnetwerk van de buurtspoorwegen. Er bestaat wel een normale spoorlijn die het rangeerterrein van het depot verbindt met het spoornet. Om tot in het depot te geraken moeten de wagons van de buurtspoorwegen manueel overgeladen worden op een gewoon treinstel van de NMBS waarna het materieel via het gewone spoor naar het depot kan worden gebracht. Het overladen kan enkel gebeuren in die depots van de buurtspoorwegen waar er ook een station van de gewone spoorwegen aanwezig is. In de buurt van Houthulst kan dit enkel gebeuren in Diksmuide, Roeselare of Staden.
Labo/Et SPG
Het labo van Vilvoorde wordt overgebracht naar de gebouwen van de Universiteit Gent. Zij zullen de verplaatsing langs de baan uitvoeren. De Technische Dienst van de Anti-Gasbeschermingsdienst (Service Technique du Service de Protection contre le Gaz – ST SPG), die zich eveneens in Vilvoorde bevindt, vertrekt samen met het Labo/Et SPG naar Gent. Het Labo zal in Gent verblijven tot 14 mei.
![]()
Staf/Et SPG
Ondertussen verlaat LtGen IMF Jamotte Parijs en keert terug naar Middelkerke waar hij door zijn staf schriftelijke orders laat opstellen voor de verhuis van werkplaatsen en arsenalen naar inrichtingen van de Franse staat met een gelijkaardige functie als de Belgische arsenalen. De orders zullen de verschillende inrichtingen voor militaire fabricaten bereiken tussen 17u00 en 18u00. De Staf/Et SPG, die zich in Middelkerke bevindt, krijgt ’s avonds laat van de Anti-gas beschermingsdient (SPG) van het MLV te horen dat ze naar twee verschillende bestemmingen in Frankrijk moeten verhuizen. Het Labo en de ACOS dienen zich naar Lannemezan (Hautes-Pyrénées) te begeven [17]. De rookmunitie zal ter plekke blijven voor het veldleger terwijl de het mosterdgas (“fumigène 20“), de gevulde aanhangwagens “type Z” en een deel van het materieel naar Lannemezan verscheept moeten worden. De AMAF dient zich naar Saint-Priest (Rhône) ten zuidwesten van Lyon te begeven. De herverdeling van het materieel in functie van de eindbestemming wordt moeilijk aangezien de verschillende tramstellen nog onderweg zijn naar West-Vlaanderen. De verschillende ladingen van de ACOS en de AMAF zullen in Houthulst gescheiden moeten worden en op de respectievelijke treinen naar Lannemezan en Saint-Priest geladen worden. Om 19u30 komen aanvullende richtlijnen voor de verhuis naar Frankrijk binnen. LtGen IMF Jamotte slaagde erin om de Minister van Landsverdediging te overtuigen om alle arbeiders en hun families naar Frankrijk over te brengen. Ze moeten in het bezit gesteld worden van een vrijgeleide met als statuut “Ouvriers d’Etat”.

Buurtspoorwegen in Oost-Vlaanderen met de geëlektrificeerde tramlijn H (paarse lijn) die Steendorp passeerde
AMAG/Et SPG
- AMAF/AMAG
Een tweede tram met 27 wagons van de buurtspoorwegen, geladen met het materieel van de AMAF en met twee personenrijtuigen, staat onder bevel van 1ste Kapitein Louis Aspeslagh. Deze tram vertrekt laat in de avond naar het depot van de buurtspoorwegen in de Lange Veldstraat te Diksmuide [18]. Aan boord van dit voertuig zitten ook de arbeiders en hun familieleden die de toelating kregen mee te reizen naar Frankrijk. Voor de afreis worden de nodige documenten om de grens te passeren nog opgemaakt. - ACOS/AMAG
Te Steendorp worden de zeven van de elf aanhangwagens “type Z” om 04u00 opgehaald door evenveel FN-Kégresse 3T halftrack tractoren die uit het Reservewielvoertuigenpark van Gent overgekomen zijn. Onder leiding van Adjudant Verstraete vertrekt deze colonne naar het depot van Houthulst. De vier overige gevulde aanhangwagens “type Z” blijven bij gebrek aan voldoende Kégresse tractoren achter in het fort en moeten met de goederentram geëvacueerd worden. Ze worden met de hijsbokken van de Boelwerf op tramwagons geladen. Om 10u15 vertrekt tenslotte de goederentram van de buurtspoorwegen onder bevel van Lt Spec Mockel naar Houthulst. Aan boord bevinden zich de vier geladen aanhangwagens “type Z”, twintig kisten met samen 2.100 potten met “fumigène 20” (mosterdgas), twee vaten van 200 kilogram mosterdgas, 800 afgevulde C75mmTR mosterdgasgranaten, twee volledige afvulinstallaties (oftewel chapelles de chargement), zes volledige beschermingspakken en twee ton chloorkalk. Lt Spec Mockel, burgerwerknemers De Meirleir en Loveniers en zes militaire arbeidskrachten (soldaten) worden meegestuurd met de tram. De rest van het personeel blijft voorlopig achter in het fort. De tocht loopt volledig over tramlijnen en bereikt via Hamme (12u00), Gent (17u00), en Tielt (22u00), het tramdepot van Roeselare tegen de volgende ochtend.
Labo/Et SPG
Het labo verlaat samen met de ST SPG al na één dag de stad Gent en begeeft zich naar Diksmuide, één van de drie bestemmingen voor de trams van de buurtspoorwegen geladen met het materieel van de Et SPG. Het labo en de technische dienst zullen in Diksmuide blijven tot 17 mei.
![]()

In Diksmuide bevond zich zowel een treinstation als een station van de buurtspoorwegen
AMAG/Et SPG
- Staf/AMAG
1Kapt IMF Deladrier verneemt om 15u00 van Maj IMF Corthouts dat Lannemezan de bestemming wordt waar de ACOS naartoe moet. Hij duidt Luitenant Spec Blaise aan om met een ploeg installatiepersoneel naar het Frans arsenaal te Lannemezan af te reizen teneinde de verhuis van de rest van de ACOS voor te bereiden. Aansluitend wordt Lt Spec Mockel kort na 15u00 verwittigd dat zijn eindbestemming Lannemezan in Frankrijk is. - AMAF/AMAG
1Kapt Aspeslagh van de AMAF is inmiddels in Diksmuide toegekomen waar hij onmiddellijk begint met het overladen van het materieel op een gewone trein. De Luitenanten Troquet en Verheyden, samen met hun ploeg soldaten en militaire arbeiders, werken de klok rond om het materieel over te laden. Lt Colin, die zich met zijn colonne vrachtwagens, nog steeds in Roeselare bevindt wordt door 1Kapt Aspeslagh doorgestuurd naar Adinkerke. Hij neemt contact op met de Dienst Gasbescherming (SPG) van het MLV te Middelkerke en krijgt opdracht om naar het station van Adinkerke door te rijden waar de vrachtwagens op een trein zullen worden gezet. -

Netwerk buurtspoorwegen nabij het depot van Houthulst (1940)
ACOS/AMAG
Omstreeks 03u00 bereikt de goederentram van Lt Spec Mockel het station van Roeselare. Hij neemt er contact op met Lt BVM Waeghemans van het Munitiedepot van Houthulst die hem meedeelt dat de tram moet doorreizen naar Staden om er gelost te worden. De goederen zullen per vrachtwagen van Staden naar het depot van Houthulst vervoerd worden. Het konvooi van Adjudant Verstraete met de zeven aanhangwagens “type Z”, die over de baan naar Houthulst reisden, is om 04u00 aangekomen in het depot van Houthulst. Na de zeven aanhangwagens afgezet te hebben te Houthulst keert Adjt Vertstraete met de zeven FN-Kégresse tractoren terug naar Gent. Om 05u00 komt Lt Spec Mockel aan te Staden waar voertuigen en personeel van het 1ste Regiment Artilleriepark klaar staan om alles te ontladen en naar het depot te brengen. Er wordt de ganse dag gewerkt om de voorraden over te brengen. Om 07u00 stuurt Lt Spec Mockel een telegram naar de Staf/Et SPG te Middelkerke om te melden dat zowel de aanhangwagens “type Z” als de goederentram in Houthulst zijn aangekomen. De tekst van het telegram luidt: “Matériel Z bien arrivé à Houthulst, on décharge en gare de Staden“. Om 11u00 krijgt hij van Kapitein Albert Courtin van SPG/DREI volgend waarschuwingsbevel: “Transborder matériel Z sur chemin de fer à voie normale en vu d’un départ lointaine. Un délégué du SPG/DREI sera au téléphone à 15u00“. Hij begint in het depot van Houthulst onmiddellijk met het inladen van een trein met gesloten wagons die in het station van Westrozebeke werd opgeëist. Kort na 15u00 wordt hij door Maj IMF Corthouts van SPG/DREI op de hoogte gebracht van zijn reisdoel. Er wordt tot 18u00 doorgewerkt om 11 treinwagons te laden met het materieel van de ACOS. Er wordt ook één rijtuig voor personeel bij de trein gevoegd, en 2 stootwagons die de gevaarlijke lading enigszins moet beschermen bij een aanrijding door een andere trein. Er is echter nog een probleem voor het laden van de elf gevulde aanhangwagens “type Z”. Hiervoor dienen platte goederenwagons naar het depot van Houthulst gestuurd te worden. Wanneer de trein voor Lannemezan om 18u00 geladen is beschikt Lt Spec Mockel nog steeds niet over de platte goederenwagons. De vier aanhangwagens die per tram naar Staden werden gebracht konden niet naar het depot van Houthulst gebracht worden bij gebrek aan tractoren en blijven op de parking van het depot van de buurtspoorwegen te Staden staan. De zeven andere aanhangwagens “type Z” staan veilig en wel in het depot van Houthulst.
![]()
AMAG/Et SPG
- ACOS/AMAG
Lt Spec Blaise vertrekt vanuit het Fort van Steendorp met het installatiepersoneel naar Lannemezan. Te Houthulst en Staden moeten de elf aanhangwagens “type Z” nog steeds geladen worden op de trein voor Lannemezan. Ondertussen komt Lt Res Berny van de Staf SPG/DREI aan te Houthulst met de marsbevelen voor het personeel en 1.000 Bfr voor de vergoeding van de reiskosten naar Frankrijk. Om 07u30 zijn er nog steeds geen platte goederenwagons beschikbaar. In het depot van Houthulst bevinden zich echter wel zes wagons geladen met hout van het Park van de Genie (PGnA). Lt Spec Mockel vraagt aan de Kapitein-commandant de Cheron, commandant van het Geniedepot Houthulst/PGnA om het hout te ontladen en de wagons ter beschikking te stellen van de ACOS. Hij krijgt om 11u00 de toelating voor het ombouwen van twee wagons om er de aanhangwagens “type Z” mee te kunnen vervoeren. Om 15u00 worden de zeven aanhangwagens die zich te Houthulst bevinden op de trein geladen. Intussen wordt in het station Westrozebeke een stoomlocomotief opgevorderd. Rond 18u00 komt 1Kapt IMF Hariga, bureauchef van de SPG/DREI, poolshoogte nemen in Houthulst. Hij wordt door Lt Spec Mockel op de hoogte gebracht van de stand van zaken. Aan het eind van de dag worden de vier laatste aanhangwagens in het station van Staden op de trein van Lt Spec Mockel geladen waardoor een treinstel met veertien wagons gevormd wordt. Lt Spec Mockel wordt aangeduid als treincommandant en vertrekt uit Staden om 21u00. Hij meldt telefonisch aan de Staf SPG te Middelkerke: “Le train Z quitte Staden“. Om middernacht rijdt het konvooi reeds voorbij Kortemark.
Labo/Et SPG
Het Labo/Et SPG dat zich nog in Diksmuide bevindt krijgt opdracht om zich langs de baan naar Lannemezan, ten zuidoosten van Tarbes, te begeven. Ze vertrekken nog dezelfde dag en slagen erin via Abbeville, Chartres, Poitiers en Bordeaux het stadje Lannemezan te bereiken op 21 mei. De ST SPG wordt op 18 mei eerst naar Saint-Julien-Liars en vervolgens naar Saint-Priest gestuurd.
![]()
AMAG/Et SPG
- Staf/AMAG
De colonne van Lt Res Colin is ondertussen in Adinkerke aangekomen waar hij wacht op de doortocht van de treinen van de AMAG. Hij vangt de trein van Lt Spec Mockel om 06u30 op in het station van Adinkerke. - ACOS/AMAG
Bij de doortocht te Kortemark wordt de trein van Lt Spec Mockel door de stationschef tegengehouden onder het voorwendsel dat er niet genoeg wagons op sleeptouw genomen zijn en de locomotief onderbenut is. Toevallig staat in het station van Kortemark een treinstel met dertig wagons (vermoedelijke één van de treinen die op 17 mei uit Zwijndrecht vertrok – TBC) van de Werkplaatsen voor Fabricatie van Munitie. De treincommandant van deze trein, een onderofficier, weet enkel dat hij naar Frankrijk moet maar kent zijn bestemming niet. Lt Spec Mockel aarzelt niet en beslist om de 30 wagons aan zijn trein van veertien wagons te laten aanhaken. De nu veel langere trein van 44 wagons wordt door de stationschef doorgelaten en zet zijn tocht verder naar Adinkerke. Om 06u00 wordt Adinkerke binnengereden waar de trein opnieuw wordt tegengehouden door de stationschef. De Franse douane laat geen burgers meer meerijden met militaire treinen. Lt Colin van de Staf/AMAG die zich in Adinkerke bevindt doet nog een poging om uniformen te vinden voor de twee werklieden, maar de stationchef gelast de arbeiders uit te stijgen en hun bagage uit te laden. Nog voor iedereen is uitgestegen geeft hij de toelating om door te reizen. De arbeiders die werden afgezet in Adinkerke worden naar Diksmuide gestuurd waar zich het detachement van AMAF nog bevindt. Om 11u00 rijdt de trein de Franse grens over maar wordt alweer tegengehouden in Bray-Dunes omdat de Franse autoriteiten menen dat het om vluchtende burgers gaat. Uiteindelijk wordt Duinkerke bereikt om 13u00 waar vijf uur gewacht wordt op een rijpad om vervolgens rond 18u00 koers te zetten naar Calais met als voorlopige bestemming Montluçon ten zuiden van de Loire.
![]()

De stations Gare-Ville, Gare-Maritime en Gare Dunkerque-Dunes in en rond Duinkerke waar een 15-tal Belgische treinen vanaf 19 mei vastliepen.
AMAG/Et SPG in Frankrijk
- ACOS/AMAG
De trein van Lt Spec Mockel rijdt het station van Calais binnen om 01u00 binnen en moet er twee uur wachten. De reis wordt om 03u00 voortgezet naar Abbeville. Intussen is ook het materieel dat in Diksmuide toekwam overgeladen op gewone goederenwagons. 1Kapt Aspeslagh verlaat als eerste Diksmuide om 13u00. Aan boord van zijn trein bevinden zich ook de arbeiders met hun families en vreemd genoeg ook “du matériel spécial et dangereux” (wat dit ook mocht zijn – TBD). Een laatste trein met materieel van de Et SPG verlaat Diksmuide later op de dag met aan boord Lt Verheyden en Lt Trocquet. Vermoedelijk werden de vrachtwagens van Lt Colin in Adinkerke op de trein van 1Kapt Aspeslagh gezet (TBC). Deze trein blijft in het station van Leffrinkcoucke tijdens de nacht van 19 op 20 mei en ondergaat bij zonsopgang een luchtbombardement echter zonder veel schade. Een kleine achterwacht, bestaande uit twee vrachtwagens onder leiding van Lt Spec Decroly, blijft wachten te Adinkerke om later Lannemezan langs de baan te vervoegen.
![]()
AMAG/Et SPG in Frankrijk
- AMAF/AMAG
De twee treinen van het AMAF, begeleid door 1Kapt Aspeslagh, Lt Colin, Lt Verheyden en Lt Trocquet, hebben minder geluk. Zij komen ’s morgens vroeg vast te zitten in het station van Dunkerque-Dunes nabij Fort Saint-Pol. Het station is in een dichte rookwalm is gehuld, afkomstig van een aantal petroleumtanks in het havengebied die de avond voordien door de Duitse luchtmacht gebombardeerd werden. Alleen het klein detachement van de AMAF, onder bevel van Majoor IMF Liégeois, bereikt langs de baan Saint-Priest. Het detachement beschikt slechts over een zeer beperkte hoeveelheid materieel. - ACOS/AMAG
Lt Blaise bereikt het Franse arsenaal te Lannemezan en begint met de voorbereiding voor de installatie van de ACOS. De trein van Lt Spec Mockel bereikt Abbeville om 07u00 en kan nog net op tijd de zuidelijke oever van de Somme bereiken. Enkele uren later zullen de Duitse troepen de stad Abbeville aan de Atlantische kust innemen. De trein passeert Dieppe om 18u00 en rijdt ’s avonds Rouen rond 20u30 binnen.
![]()

Duitse opmars van 16 tot 21 mei waarop Abbeville aan de Somme bereikt wordt.
AMAG/Et SPG in Frankrijk
- AMAF/AMAG
Het detachement van 1Kapt Aspeslagh dat vast kwamen te zitten in het station van Dunkerque-Dunes ondergaat de ganse nacht van 20 op 21 mei zware luchtbombardementen. De bombardementen blijven de ganse dag aanhouden. - ACOS/AMAG
De trein van Lt Spec Mockel passeert Le Mans (09u00) en komt aan te Tours (18u00).
Labo/Et SPG
De colonne van het Labo/Et SPG, onder leiding van Lt Spec Bontinck, komt aan te Lannemezan en wordt ingeschakeld in het arsenaal. Het personeel van het Labo wordt ter beschikking gesteld van de commandant van het “Atelier de Chargement des Obus” dat in volle opbouw is. Lt Res Spec Hauchamps helpt mee met de installatie van het atelier.
![]()
Staf/Et SPG in Frankrijk
Maj IMF Liégeois slaagt erin om via de baan Saint-Priest te bereiken. In de colonne van Maj IMF Liégeois bevinden zich ook Cdt Montrieux, Kapt Courtin, Lt Spec Jodogne en Lt Spec De Gheldere van SPG/DREI.

Het chemisch bedrijf te Lannemezan, eigendom van de Société des Produits Azotés (SPA), waar de Fransen tijdens de mobilisatie de productie van oorlogsgassen opstarten.
AMAG/Et SPG in Frankrijk
- Staf/AMAG
De staf van de AMAG en een gedeelte van de AMAF slaagt erin om onder bevel van 1Kapt IMF Deladrier Saint-Priest ten zuidoosten van Lyon langs de baan te bereiken. Ook Kapt Chevaillier, Lt Med Boxus en OLt Res Petit bereiken Saint-Priest. Ze worden er tewerk gesteld in het “Atelier de Fabrication de masques à gaz”, een Frans arsenaal gespecialiseerd in het maken van gasmaskers. - AMAF/EtSPG
De toestand in het station van Duinkerque – Dunes is onhoudbaar geworden. 1Kapt Aspeslagh beslist om het station te verlaten. De intensiteit van de bombardementen blijft toenemen en steeds meer Belgen die vastzitten in treinen op de verschillende rangeerterreinen trekken weg. De arbeiders en hun families vertrekken te voet naar het dichtstbijzijnde dorp. De documenten, het precisiematerieel en de meegebrachte bewapening wordt vernietigd terwijl een poging gedaan wordt om de camions van Lt Colin van de trein af te halen. Slechts twee voertuigen kunnen vrijgemaakt worden de andere twee worden vernietigd op de trein. Met de twee vrachtwagens kan al het meegereisde militair personeel uiteindelijk Koksijde vervoegen.
- ACOS/AMAG
Via Bordeaux (08u00) wordt naar Lannemezan gereden waar de trein om 20u00 toekomt.
![]()
AMAG/Et SPG in Frankrijk
- ACOS/AMAG
Lt Spec Mockel neemt contact op met de staf van LtGen Jamotte in Parijs en vraagt welke de bestemming is van de 30 wagons van de AFM. Hij krijgt te horen dat de trein naar Tarbes moet. De trein wordt gesplitst en de dertig wagons van de Werkplaatsen voor Fabricatie van Munitie vertrekken om 20u30 onder leiding van de onderofficier van AFM naar Tarbes.
![]()
![]()
AMAG/Et SPG in Frankrijk
- ACOS/AMAG
Lt Res Spec Blaise coördineert met de Franse staf van Lannemezan de inzet van de twee compagnies Belgische werkkrachten van de Rekruteringsreserve die aan het arsenaal werden toegewezen [20]. Het betreft de 27ste Compagnie Arbeiders van Lt Eduard Abbeloos [21] en de 83ste Compagnie Arbeiders van Lt Stassin die in Lannemezan ingekwartierd zijn (verder onderzoek moet uitwijzen vanaf wanneer deze compagnies werden tewerkgesteld in het arsenaal van Lannemezan). De compagnie van Lt Abbeloos telt 237 manschappen, de compagnie van Lt Stassin 154 arbeiders. De compagnies zijn samengesteld met jonge mannen, ouder dan 18, die nog niet werden opgeroepen voor legerdienst. Het gaat hier niet om militairen, maar om burgers behorende tot de rekruteringsreserve die naar Frankrijk werden geëvacueerd. Naast de twee Belgische compagnies vermelden Franse bronnen ook nog de aanwezigheid van de 12de en de 13de Compagnie van het Franse 22ste Bataljon d’Ouvriers d’Artillerie (22BOA) te Lannemezan.
![]()
Staf/Et SPG in Frankrijk
De Technische Dienst SPG die pas op 18 mei Diksmuide verliet en langs de baan naar Zuid-Frankrijk werd gestuurd bereikt via Saint-Julien-Liars nabij Poitiers uiteindelijk Saint-Priest en wordt onder bevel geplaatst van Majoor IMF Liégeois.
AMAG/Et SPG in Frankrijk
- ACOS/AMAG
Te Lannemezan wordt Lt Spec Mockel tewerkgesteld in het Atelier de Chargement des Obus bij de dienst “manutention du fumigène 20“. Hij wordt onder meer verantwoordelijk voor de het laden, lossen en opslaan van 400 ton chemische producten.
![]()
![]()
Labo/Et SPG in Frankrijk
Het personeel van het labo verneemt te Lannemezan het nieuws van de Belgische capitulatie op de Franse radio. Lt Spec Bontinck roept zijn personeel samen en er wordt beslist dat de strijd wordt voortgezet aan de zijde van de Fransen. Het personeel blijft verder werken ten voordele van het Franse “Atelier de Chargement des Obus”.
![]()

Lannemezan en Capvern ten zuidoosten van Tarbes.
AMAG/Et SPG in Frankrijk
- AMAF/AMAG
De AMAF dat tot 17 juni bleef werken in het Franse arsenaal dient zich verder naar het zuiden te verplaatsen onder druk van de vijandelijke opmars. De AMAF en de ST SPG worden doorgestuurd naar Lannemezan. De ST SPG vervoegt het Labo van de Et SPG dat zich in Capvern vlakbij Lannemezan bevindt.
![]()
Staf/Et SPG in Frankrijk
De AMAF en de ST SPG komen toe te Lannemezan en worden ondergebracht in Capvern, een buurgemeente van Lannemezan. Het Labo en het AMAG van het Et SPG zijn nu verenigd en samen met de ST SPG ondergebracht in de regio van Lannemezan.
![]()
Staf/Et SPG in Frankrijk
Frankrijk capituleert en in het verdrag dat Frankrijk op 22 juni te Compiègne met de Duitsers ondertekent staat onder meer vermeld dat Frankrijk er zich toe verbind de aanwezige Belgische militairen ten zuiden van de demarcatielijn te ontwapenen en aan Duitsland uit te leveren. Duitsland wil kost wat kost voorkomen dat de ongeveer 150.000 Belgische militairen nog naar Engeland of Congo zouden worden overgebracht om daar de strijd voort te zetten. De praktische modaliteiten voor een dergelijke uitlevering zullen nog een tijdje op zich laten wachten. De samenwerking met de Franse arsenalen en werkplaatsen wordt onmiddellijk stopgezet. Te Lannemezan wordt de inhoud van de elf aanhangwagens “type Z” overgetankt in vaten van 100 liter. De elf aanhangwagens “type Z” zijn allicht in Frankrijk achtergebleven.
![]()
Staf/Et SPG in Frankrijk
Eind juli overweegt de Franse overheid om de aanwezige voorraad Yperiet in Lannemezan, inclusief de Belgische stock, te vernietigen [19]. Dit omdat de aanwezigheid van het Yperiet een risico inhoud voor de lokale bevolking. De Fransen richten zich op 31 juli tot de “Commisions d’Armistice“, die de afwikkeling van de Frans-Duitse wapenstilstand regelt, om toelating te vragen de resterende 360 ton chemische munitie in Middellandse Zee te dumpen. Het lozen van chemische munitie in zee was een beproefde methode die na de Eerste Wereldoorlog ook al werd toegepast. De Duitsers die de munitie liever zagen verwijnen in zee dan er later op een of ander slagveld mee geconfronteerd te worden, gingen in op het voorstel. De uiteindelijk dumping van de munitie zou pas plaatsvinden in april 1941.
![]()
Staf/Et SPG in Frankrijk
Op 12 augustus worden de reserve officieren specialisten van de Et SPG gedemobiliseerd en krijgen de toelating om met eigen middelen op eigen kosten naar België terug te keren. De organisatie voor de terugkeer naar België van het overige personeel begint vorm te krijgen. Op 14 augustus wordt een eerste richtlijn verspreid door LtGen IMF Jamotte om de Inrichtingen der Militaire Fabricaten in twee groepen op te delen. Een eerste groep betreft de inrichtingen die zich in en nabij Tarbes bevinden. Zij worden onder bevel geplaatst van Kol IMF Brosius, directeur van de AFM. Maj IFM Liégeois en 1Kapt Deladrier ontvangen vanaf nu hun orders van Kol IMF Brosius. Een tweede groep wordt gevormd te Roanne onder bevel van Majoor IMF Marchal, Directeur van de FRC. In elke groep wordt een colonne burgers en een militaire colonne gevormd. Op 16 augustus wordt bevestigd dat het personeel van de Et SPG samen met het personeel van de AFM naar België zal terugkeren. Daar waar aanvankelijk gezegd werd dat iedereen zou worden vrijgelaten na de terugkeer wordt dit op 19 augustus aangepast naar de versie dat het terugkerend personeel op identieke manier behandeld zal worden als de troepen in België na de capitulatie. Dit betekent dat het beroepspersoneel krijgsgevangen zal worden genomen. Op 20 augustus wordt Maj IMF Liégeos overgeplaatst naar Bagnères-de-Bigorre om er het Belgisch depot over te nemen. Hij zal uiteindelijk pas naar België terugkeren op 17 september 1941. Het detachement van de Et SPG komt nu onder bevel van 1Kapt Deladrier te staan. Alle materieel van de Et SPG dient eerst nog afgevoerd te worden naar het depot van Bagnères-de-Bigorre, daarna vergezelt het personeel de colonnes van de AFM.
![]()
Staf/Et SPG in Frankrijk
Kol IMF Brosius stelt vervolgens twee detachementen samen. Een eerste detachement van een twintigtal personen, bestaande uit de beroepsofficieren en hun families, zal met een zestal personenwagens naar België terugkeren. Een tweede detachement met de rest van het personeel (11 officieren, 6 onderofficieren, 10 soldaten en een 50 tal vrouwen en kinderen), zal per spoor geëvacueerd worden. De colonne voertuigen vertrekt op 28 augustus uit Lourdes onder leiding van 1Kapt Philips. De colonne reist via Tarbes, naar Agen, Bergerac, Périgueux, Bourges, Vierzon en Paray-le-Monial. Op de laatste drie reislocaties wordt een poging gedaan om de demarcatielijn over te steken maar dit is enkel mogelijk mits de gevangenname van de officieren. De pogingen om de demarcatielijn over te steken worden stopgezet en het detachement moet tot nader order kantonneren in Iguerande, een dertigtal kilometer ten zuiden van Paray-le-Monial. Paray-le-Monial is de enige plaats waar de Duitsers nog Belgische militairen de demarcatielijn laten oversteken.
Het vertrek van het detachement dat per spoor moet terugkeren verloopt niet van een leien dakje. Wanneer Kol IMF Brosius treintransport aanvraagt om het detachement naar België over te brengen laten de Fransen weten dat eerst de toelating van de Duitsers nodig is om de demarcatielijn te Orthez te passeren. Er worden twee Belgische officieren naar Orthez gestuurd om de toelating te regelen maar de Duitsers accepteren enkel aanvragen van de Franse overheid. Eenmaal de overgang door de Fransen geregeld is en alles klaargemaakt wordt om op 24 augustus te vertrekken krijgt Kol IMF Brosius van LtGen IMF Jamotte het bevel om zijn personeel per spoor naar Roanne over te brengen zodat de EFM als één geheel naar België zouden kunnen terugkeren. De Franse overheid weigert om een trein ter beschikking te stellen om het personeel naar Roannes te brengen. Er wordt enkel nog transport voorzien voor directe repatriëring. Hierop krijgt Kol IMF Brosius bevel om met de in Bagnières-de-Bigorre achtergelaten voertuigen het personeel en hun families naar Roanne te vervoeren. Dit wordt opnieuw door de Fransen tegengehouden waardoor de repatriëring tot nader order wordt uitgesteld.
![]()

De demarcatielijn vormde de grens tussen het bezette en niet-bezette deel van Frankrijk.
Staf/Et SPG in Frankrijk
Nadat de Fransen uiteindelijk toch de toelating geven om naar Roanne te reizen via de baan wordt op 3 september een colonne samengesteld met personen- en vrachtwagens die werden opgehaald in het depot van Bagnières-de-Bigorre. Dezelfde dag nog wordt vertrokken uit Lourdes. Na de nacht van 3 op 4 september te hebben doorgebracht te Rodez komt de colonne op 4 september aan te Roanne. Hier wacht een nieuwe ontgoocheling, de colonne die hoofdzakelijk uit militaire voertuigen bestaat mag de demarcatielijn niet overschrijden. Enkel aan privé personenwagens wordt de toelating gegeven om te passeren, de militaire voertuigen moeten in een depot te Roanne achtergelaten worden. Er werd daarenboven een regeling getroffen waarbij enkel de officieren-IMF van het detachement en hun familie met hun persoonlijk voertuig de demarcatielijn te Moulins mogen passeren. De andere officieren en militairen moeten dan maar met een vluchtelingentrein naar België zien terug te keren. Een dergelijke trein is voorzien om te vertrekken op 10 of 11 september. Lt Lescrauwaet van het FRC is gelast om dit transport te regelen.
![]()
Staf/Et SPG in Frankrijk
Op 7 september verneemt Kol IMF Brosius dat Lt Lescrauwaet van het FRC al op 6 september naar België is vertrokken en dat er niets werd geregeld om het personeel van zijn detachement naar België te vervoeren. Gezien er zich nauwelijks nog Belgische autoriteiten in Frankrijk bevinden die zich het lot van het personeel van de EFM willen aantrekken besluit Kol IMF Brosius om op eigen initiatief over te gaan tot de opeising van burgervoertuigen (auto’s en vrachtwagens) en alsnog een poging te wagen de demarcatielijn te passeren. Een colonne wordt samengesteld om alle burgerpersoneel en families naar België terug te sturen. Deze colonne slaagt erin om op 12 september de demarcatielijn te Moulins te passeren. Enkel de beroepsofficieren en -onderofficieren van de EFM blijven nog achter in Frankrijk. Deze laatsten zullen uiteindelijk op 21 september de demarcatielijn kunnen oversteken.
![]()
![]()
| Eenheid | Naam | Voornaam | Foto | Graad | Stand | Klas | ° op | ° te | + op | + te | Nota |
|---|
![]()
- Achtergrondinformatie bij het Fort van Steendorp [On Line beschikbaar]: https://inventaris.onroerenderfgoed.be/erfgoedobjecten/200742 [Laatst geraadpleegd 12 januari 2026].
- Gils, R. (2000) Fort Steendorp van de Vesting Antwerpen, Erpe-Mere: De Krijger.
- Nota van de Dienst tot Onderzoek van Oorlogskruit en Springstoffen aan de Dienst Bewapening en Munities van 17 november 1933, Dossier 185 – 14a – 5466, Moskou-archief, Documentatiecentrum Koninklijk Legermuseum, War Heritage Institute. Vooral de aanwezigheid van fosgeengranaten voor het kanon C120L is een interessant gegeven. Dit kanon, met een eerder zeldzaam kaliber (120mm), is ontworpen door de Koninklijke Kanongieterij (FRC) na de Eerste Wereldoorlog. De toxische munitie voor dit type kanon, die in 1933 in het depot van Zeldelgem werd geïnventariseerd, kan bezwaarlijk komen van in beslag genomen Duitse stocks of uit geallieerde munitiedepots. De granaten werden ofwel op vraag van België in het buitenland geproduceerd ofwel zelf aangemaakt (verder onderzoek moet dit uitwijzen).
- Zanders, J. (1997) ‘The destruction of old chemical munitions in Belgium’ in Stock T. and Lohs K. (eds), The Challenge of Old Chemical Munitions and Toxic Armament Wastes, Oxford: Oxford University Press.
- Nota van de Hogere Directie van de Artillerie aan de Anti-gasbeschermingsdienst van 12 juli 1935, Dossier 185 – 14a – 5466, Moskou-archief, Documentatiecentrum Koninklijk Legermuseum, War Heritage Institute.
- Nota van de Dienst Bewapening aan de Dienst tot Onderzoek van Oorlogskruit en Springstoffen van 30 maart 1936, Dossier 185 – 14a – 5466, Moskou-archief, Documentatiecentrum Koninklijk Legermuseum, War Heritage Institute.
- Nota van de Werkplaatsen voor Fabricatie van Munitie aan de Inrichtingen der Anti-Gasbeschermingsdienst van 10 maart 1937, Dossier 185 – 14a – 5466, Moskou-archief, Documentatiecentrum Koninklijk Legermuseum, War Heritage Institute.
- Nota van het Groot Legerpark aan de Inrichtingen der Anti-Gasbeschermingsdienst en de Dienst tot Onderzoek van Oorlogskruit en Springstoffen, Dossier 185 – 14a – 5466, Moskou-archief, Documentatiecentrum Koninklijk Legermuseum, War Heritage Institute.
- Nota van de Hogere Directie van de Artillerie aan de Anti-gasbeschermingsdienst van 13 mei 1938, Dossier 185 – 14a – 5466, Moskou-archief, Documentatiecentrum Koninklijk Legermuseum, War Heritage Institute.
- Nota van de Anti-gasbeschermingsdienst aan de Hogere Directie van de Artillerie van 7 december 1939, Dossier 185 – 14 – 129, Moskou-archief, Documentatiecentrum Koninklijk Legermuseum, War Heritage Institute.
- Gaston Lamquet werd geboren te Namen op 28 juni 1905. Hij was scheikundig ingenieur van opleiding. Dit beroep oefende hij uit bij het Ministerie van Landsverdediging tot 8 december 1941. Op die datum werd hij wegens ambtsopheffing overgeplaatst naar de Dienst Thesaurie, waar hij bij de Munt terecht kwam als
keurmeester. Op 1 mei 1946 werd hij benoemd tot Muntmeester. Informatie afkomstig uit het tijdschrift Flashmedaille 3-62, (2015), “Over munttekens”, van de vereniging Promotie van de Medaille [On Line beschikbaar via de website]: https://www.medaille.be. - Luitenant van de reserve specialist Raoul Bontinck was tot aan de afkondiging van fase A van de mobilisatie één van de drie ingenieurs die als burgerpersonneel werkten in het AMAG van Steendorp. Hij werd gemobiliseerd als luitenant van de reserve en aangesteld als hoofd van het Laboratorium van Vilvoorde. Hij was dus geen outsider en kende het labo en zijn werking zeer goed.
- Luitenant van de reserve specialist Jacques Mockel deed zijn legerdienst in 1930 op zijn vierentwintigste, na het behalen van zijn doctoraat in de scheikunde aan de ULB. Hij werd geadministreerd door de Compagnie Depot en Park (oftewel Staf en Dienstencompagnie) van het Regiment Transmissietroepen dat te Vilvoorde ingekwartierd was (vermoedelijk deed hij zijn legerdienst al bij het Labo/Et SPG van Vilvoorde en was hij administratief toegevoegd aan het RTTr). Na zijn dienst werd hij geadministreerd door het 1ste Regiment Karabiniers (1C) waar hij werd aangesteld als OLt op 26 maart ’34. Hij deed echter al zijn rappels bij het Labo/Et SPG en niet bij de infanterie. Hij werd voor de AMAG/Et SPG gemobiliseerd op 14 januari ’40.
- Nota van de Generale Staf van het Leger aan de Commandant van het IIIde Legerkorps en de Commandant Troepen voor de Verdediging van Luxemburg en Namen van 22 juni 1939, Dossier 185 – 14a – 2767, Moskou-archief, Documentatiecentrum Koninklijk Legermuseum, War Heritage Institute.
- De verschillende types chemische oorlogsgassen werden aangeduid met codenummers. Zo werd de code “produit 4″ gebruikt voor Vincenite (arcenicum, cyanide en chloroform), “produit 10” voor Bretonite (jodiumaceton) en “produit 20″ (Yperiet of mosterdgas). “Fumigène 20” zou dan verwijzen naar rookgassen met een component mosterdgas.
- Kaarten met het netwerk van de buurtspoorwegen van 1940 zoals die gebruikt werden voor de evacuatie van de Et SPG [On Line beschikbaar]: https://nl.wikipedia.org/wiki/Lijst_van_NMVB-tramlijnen_in_Belgi%C3%AB#Oost-Vlaanderen [Laatst geraadpleegd 12 januari 2026].
- Te Lannemezan werd in 1921 een oude fabriek van de Poudrerie nationale de Toulouse overgenomen door de Société des Produits Azotés (SPA). Vanaf 1938 wordt er bij deze fabriek een arsenaal opgericht en een “atelier de chargement d’obus” voor het vullen van obussen en vliegtuigbommen met chemische stoffen. De afvulwerkplaats van Lannemezan specialiseerde zich in het afvullen van veschillende soorten munitie met Adamsiet en Yperiet en vliegtuigbommen van 200 kg met fosgeen. Achtergrondinformatie bij het Franse arsenaal te Lannemezan [On Line Beschikbaar]: http://www.guerredesgaz.fr/these/chap13/chap13.htm [Laatst geraadpleegd 12 januari 2026].
- Stationsbuurt in de Lange Veldstraat te Diksmuide is anno 2026 amper van uitzicht veranderd. Te bekijken via Google streetview.
- Op het ogenblik van de Franse capitulatie bevond zich in het arsenaal van Lannemezan een voorraad van 88 ton Adamsiet, 320 ton Yperiet en 120 ton munitie gevuld met toxische stoffen.
- Summier getypt verslag opgesteld in het Frans door Luitenant Specialist van de reserve H. Blaise die werd tewerkgesteld in de ACOS en mee verhuisde naar het Frans arsenaal van Lannemezan. Het verslag bevindt zich in het dossier van de Technische Dienst der Anti-Gasbeschermingsdienst bij de Sectie Classified Archives, Algemene Dienst Inlichtingen en Veiligheid, Ministerie van Defensie. In zijn relaas schrijft hij het volgende over zijn verblijf in Lannemezan: “J’y ai notammant dirigé l’achèvement de l’installation de chargement d’obus en Yperite“. Daarnaast vermeldt hij ook het feit dat twee compagnies Belgische werklieden waren tewerkgesteld in Lannemezan: “J’ai servi de liaison avec les officiers français pour la mise au travail dans l’arsenal des deux compagnies de travailleurs belges qui y ont été affectées“.
- Lt van de reserve E. J. R. Abbeloos geboren te Brussel op 5 jun 1899, werd aangesteld tot OLt bij de infanterie in 1925 en bevorderd tot Lt in 1929. Deze eenenveertigjarige luitenant stelde op 25 juli 1940 te Lannemzan een handgeschreven appellijst van zijn compagnie op die hij vervolgens overmaakte aan de Staf/XVII CRAB. Ook Lt Stassin maakte een dergelijke lijst op te Lannemezan, gedateerd op 24 juli 1940. Deze lijsten moesten allicht dienen om de jongeren van de CRAB naar België te repatriëren. Beide naamlijsten bevinden zich in het Documentatiecentrum Koninklijk Legermuseum, War Heritage Institute.
- Summier handgeschreven verslag opgesteld in het Frans door Luitenant Specialist van de reserve E. Hauchamp, specialist chemie van het Labo/Et SPG. Het verslag bevindt zich in het dossier van de Technische Dienst der Anti-Gasbeschermingsdienst bij de Sectie Classified Archives, Algemene Dienst Inlichting en Veiligheid, Ministerie van Defensie.
- Zeer gedetailleerd getypt verslag opgesteld in het Frans door Luitenant Specialist van de reserve J. Mockel in oktober 1940. Het verslag bevindt zich in het dossier van de Technische Dienst der Anti-Gasbeschermingsdienst bij de Sectie Classified Archives, Algemene Dienst Inlichting en Veiligheid, Ministerie van Defensie. Het verslag van Lt Mockel werd niet teruggevonden door J. Zanders voor zijn publicatie van 1997 met betrekking tot de productie van toxische gassen in België. Getuige hiervan twee citaten uit zijn omstandig naslagwerk vermeld onder [4]: “A letter by the commander of the SDM, Captain-Commander E. Samyn, refers to a contaminated area on the fortress’s retaining walls, but no other documentary evidence of CW-related activities has survived or been publicly released” en “When German forces invaded Belgium, AMAG stocks were transferred to the local tramway, which was built into the fortress, and then transported by train to a French gas facility in the Pyrenees. No other information is available about the operation“
- Robert Gils, (1994), De ‘Ateliers d’essais et de controle du matériele Anti-Gaz’ verschenen in het ‘Belgisch tijdschrift voor Militaire Geschiedenis’, Brussel: Amis du musée royal de l’armée.
- Slagorde officieren SPG en Et SPG bij de Sectie Classified Archives, Algemene Dienst Inlichting en Veiligheid, Ministerie van Defensie.
- Jamart, J. (1994) L’armée belge de France en 1940, Bastenaken: Schmitz. Opmerkelijk is dat Jamart bij het schrijven van zijn lijvig boek in 1994 weldegelijk gebruik gemaakt heeft van het verslag van Lt Spec Mockel, maar niet van het verslag van Lt Spec Blaise en Lt Hauchamp. Het verslag van Lt Spec Mockel is nagenoeg volledig overgenomen in het boek. Anderzijds citeert Jamart op pagina 278 ook Lt Verheyden. In de archieven van defensie werd door ons geen enkel verslag van Lt Verheyden teruggevonden. Bij de nochthans gedetailleerde bronvermelding van het boek staat niet vermeld waar de informatie van Lt Verheyden vandaan komt.
