Algemene Magazijnen van de Bevoorradingsbasis

Situatie op 10 mei 1940

Reglementaire benaming Algemene Magazijnen van de Bevoorradingsbasis
Magasins Généraux de la Base d’Approvisionnement | MGBA
Type Territoriale Logistieke Steuneenheid
Ontdubbeld van n.v.t.
Onderdeel van Directie voor Aan- en Afvoer van de Achterwaartse Zone
Bevelhebber Kolonel Intendant François Ceuppens
Standplaats Antwerpen, Namen, Oostende  
Samenstelling 1ste Provianddienst Antwerpen Magazijn Rantsoenbiscuit (Lt J. Vanesse)
  (1ste Kapitein Louis Gillard) Magazijn Geconserveerde Vleeswaren (Lt G, André)
    Havermagazijn (Lt G. Bertot)
    Algemeen Beddegoedmagazijn (1Kapt Emile Geysen)
    1ste Compagnie (Cdt Rémi Lescouhier)
  2de Provianddienst Antwerpen Havermagazijn (Kapt Charles Castelein)
  (1ste Kapitein Albert Pardoen) 2de Compagnie (Kapt Robert Thooris)
  3de Provianddienst Antwerpen Tarwemagazijn (OLt J. Rolin)
  (Majoor Louis Servaes) 3de Compagnie (Lt P. Gilson)
  4de Provianddienst Namen Levensmiddelenmagazijn (1Kapt L. Delobelle)
  (1ste Kapitein F. Demets) Magazijn Ingevroren Vleeswaren (Lt V. Miscrez)
    4de Compagnie (Cdt François Rombauts)

De Algemene Magazijnen van de Bevoorradingsbasis zijn verantwoordelijk voor de stockage van de strategische voorraden aan essentiële voedingsmiddelen en legeringsvoorwerpen.

De magazijnen zijn verspreid over verschillende grote steden van ons land.

Te Antwerpen bevinden zich onder meer de opslagplaatsen voor het noodrantsoen aan legerbiscuit en aan vlees in blik. De provianddienst van Antwerpen beheert via zijn derde compagnie ook drie militair entrepots te Oostende.

Te Namen wordt dan weer een grote hoeveelheid diepvriesvlees bewaard.

In een document van januari 1940 wordt bevestigd dat de magazijnen in staat dienen te zijn om het leger gedurende 45 dagen te bevoorraden en steeds de volgende hoeveelheden dienen te stockeren:

  • 20.000 ton tarwe
  • 2.440 ton ingevroren vlees
  • 2.350.000 rantsoenen van 300 gram vlees in blik
  • 955 ton groene koffie
  • 155 ton gebrande koffie
  • 1.220 ton cichorei
  • 765 ton gedroogde peulvruchten
  • 7,6 ton peper
  • 885 ton zout
  • 915 ton suiker
  • 2.350.000 rantsoenen van 500 gram legerbiscuit
  • 13.300 ton haver
  • 2.200 ton hooi (voorraad voor 15 dagen)
  • 2.200 ton stro (voorraad voor 8 dagen)

Een militair slachthuis in het voorjaar van 1940.

Daarnaast worden ook nog belangrijke voorraden aangemaakt door de twee andere organismen belast met de opslag en levering van dezelfde levensmiddelen: het Magazijnstation en de Territoriale Intendancekorpsen. Samen moeten deze beide diensten nog eens voldoende levensmiddelen voor veertig dagen bevoorrading aan onze troepen bijhouden. Om dit alles te verwezenlijken gaat de krijgsmacht vanaf de mobilisatie van 26 augustus 1939 over tot grote aanbestedingen bij diverse leveranciers,

Ingevroren vlees wordt aangekocht in partijen van 500 tot 1000 ton via invoerders in de Antwerpse haven. De firma’s Danish Meat Packers, Weddel Meat, Swift, Argentinian and Australian Meat Company, Armour en Wilson leveren allen belangrijke hoeveelheden per stoomschip. Het vlees wordt vrijwel exclusief uit Brazilië, Argentinië en Uruguay ingevoerd als ingevroren voorkwartieren of achterkwartieren.

Vlees in blik komt dan weer van de firma’s Kaufmann, Boost Frères, Alaska, Libby en Armour en wordt door het leger aangekocht in hoeveelheden van een kwart miljoen tot twee miljoen blikken. Ook hier weer gaat het uitsluitend om Zuidamerikaans rundsvlees, hetzij boiled beef of corned beef.

Smout wordt aangekocht bij zowel binnenlandse als buitenlandse bedrijven en is afkomstig van de varkenskweek. Een aantal ladingen worden verscheept via de havens van New York en Chicago.

Naast binnenlands stro, koopt het leger in april 1940 ook twee grote partijen aan in het buitenland. De Nederlandse Bond voor Stro-exporteurs levert nog op de valreep 5000 ton, terwijl 1000 ton uit Slovakije moet komen. Deze lading wordt echter niet geleverd voor de Duitse inval.

Sommige van deze levenswaren worden echter niet permanent door het leger in voorraad aangehouden en de oorlogsplanning voorziet dat deze stocks slechts bij een daadwerkelijke vijandelijke inval zullen opgevorderd worden.

In de haven van Antwerpen worden alle vaartuigen onder vreemde vlag met haver aan boord op bevel van hun respectievelijke consuls naar Duinkerke bevolen.  Hier zullen de voorraden overgeladen worden op binnenvaartuigen om ter beschikking te blijven van het Belgische leger.

Op 13 mei 1940 wordt te Antwerpen overgegaan tot de opeising van 20.000 ton tarwe uit de silo’s van de haven. Deze partij tarwe zou enerzijds via de Benedenschelde naar de kust gebracht worden en anderzijds via de Bovenschelde en de binnenwateren richting Gent gestuurd worden. Het plan wordt slechts ten dele uitgevoerd.

Al het beschikbare beddengoed van de algemene magazijnen wordt overgegeven aan de territoriale gezondheidsdiensten voor de inrichting van de aanvullingshospitalen aan de Belgische kust.

Te Oostende, Brugge en Zeebrugge wordt gestart met het overbrengen van een deel van de voorraden op binnenschepen om een latere dispersie doorheen Vlaanderen en Noord-Frankrijk te vergemakkelijken.

Het Ministerie van Landsverdediging besluit om alle vaste opslagplaatsen ten westen van de Leie leeg te maken en de voorraden onder te brengen op treinwagons en in binnenschepen.

De rest van de algemene magazijnen wordt, naar mate de Duitse opmars vordert, naar het westen van het land overgebracht. De laatste installaties verlaten Antwerpen op 17 mei.

Om de ophoping van al te grote hoeveelheden aan voorraden in West-Vlaanderen te vermijden, wordt gepland om de Algemene Magazijnen samen met de Uitrustingdienst over te brengen naar Noordfrankrijk in de zone tussen Calais en Boulogne.

Op 18 mei vertrekt de commandant van de Algemene Magazijnen op verkenningsmissie met een installatieploeg naar Noord-Frankrijk.  Deze zending zal in hoofdzaak van uit Calais werken.  Terzelfder tijd worden enkele konvooien met binnenschepen samengesteld om de bulkgoederen over te brengen. Een eerste konvooi onder leiding van Luitenant der Administratie Gilson verlaat de streek van Oostende op 18 mei. Twee dagen later vertrekt een tweede konvooi via de kanalen van de Westhoek naar Frankrijk.

Kolonel Intendant Marichal, bevelhebber van het 3de Territoriaal Intendancekorps, wordt belast met het uitzoeken van geschikte locaties voor de bakkerijen en beenhouwerijen van het Belgische leger in de zone Gravelines-Bourbourg.  Marichal moet hiervoor contact opnemen met de Franse militaire autoriteiten.

Marichal verkent de stad Calais bij zijn zoektocht naar locaties voor de bakkerijen en beenhouwerijen van ons leger.  Hij krijgt de hulp van enkele officieren van de Algemene Magazijnen van de Bevoorradingsbasis.

Ondertussen meldt het Magazijnstation via het Groot Hoofdkwartier dat het tempo van het verbruik aan reserverantsoenen bijzonder hoog geworden is.  Er wordt beslist om de stocks van Algemene Magazijnen van de Bevoorradingsbasis in hun geheel over te dragen aan het Magazijnstation.

Een gedeelte van het personeel van de Algemene Magazijnen van de Bevoorradingsbasis wordt overgebracht naar Calais voor de overname van de levensmiddelen die de legerleiding in deze stad hoopt te produceren en aan te kopen.

De Algemene Magazijnen van de Bevoorradingsbasis en alle overige eenheden van de territoriale intendance die zich nog in Vlaanderen en Noord-Frankrijk bevinden, gaan over naar de Directie voor aan- en afvoer bij het Leger van het veldleger.  De laatste officieren van de Dienst Ravitailleringen en Productie van de Intendance van het Ministerie van Landsverdediging die zich nog in deze zone bevinden, worden geëvacueerd naar Engeland en het niet bezette deel van Frankrijk.

Maandag 27 mei 1940

Dinsdag 28 mei 1940

Na de capitulatie

Slachtoffers

Geen gesneuvelden bekend.

Bibliografie en Bronnen

  1. Dossier Ministerie van Landsverdediging, Sectie Classified Archives, Algemene Dienst Inlichting en Veiligheid, Ministerie van Defensie.