Bestuur van de Veiligheid van de Staat

Situatie op 10 mei 1940

Reglementaire benaming Bestuur van de Veiligheid van de Staat
Administration de la Sûreté de l’Etat
Type Veiligheidsdienst
Ontdubbeld van n.v.t.
Onderdeel van Groot Hoofdkwartier
Inspecteur-generaal Dhr. Fernand Louwage
Administrateur-generaal Dhr. Robert de Foy
Standplaats Rijkswachtkazerne, Kroonlaan, Elsene
Samenstelling 1ste Directie – Veiligheid van de Staat
  2de Directie – Dienst van Toezicht, Bewaking der Grenzen en Inspectie van de Politiediensten aan de Grenzen

Tijdens de mobilisatie

Aan het eind van de jaren 30 zijn in ons land twee inlichtingendiensten actief.   De eerste is de Directie Openbare Veiligheid, die geleid wordt door de voormalige magistraat Robert de Foy en die als civiele dienst onder het Ministerie van Justitie ressorteert.  Daarnaast heeft ook de krijgsmacht een eigen spionagedienst als onderdeel van de 2de Afdeling van de Generale Staf van het Leger.  Deze 2de Afdeling wordt aangevoerd door Kolonel SBH Victor Neefs.  Naast de beide gespecialiseerde diensten zijn ook politiediensten en het parket actief bij het identificeren van staatsgevaarlijke activiteiten.  Om dit alles te coördineren wordt in juli 1939 een Veiligheidscomité gevormd dat wekelijks overleg pleegt op het kabinet van de Eerste Minister Hubert Pierlot. 

De mobilisatie van augustus 1939 vormt de aanleiding om de middelen om informatie in te winnen te versterken.  Dit gebeurt echter niet zonder het nodige getouwtrek tussen de civiele en de militaire veiligheidsdienst waarbij vooral de Brusselse Procureur des Konings Walter Ganshof van der Meersch het laken naar zich toe tracht te trekken.  Aan militaire kant zorgt de entourage rond Koning Leopold III er voor dat ook de vorst zich laat horen en zijn gewicht in de schaal werpt.  In een brief van 23 januari 1940 aan de Eerste Minister argumenteert Leopold III een eerste keer op openlijke wijze om de twee diensten samen te voegen onder defensie.  De koning zal deze boodschap blijven herhalen.

Al snel wordt besloten om de integratie binnen defensie te verwezenlijken en op 10 maart 1940 wordt het nieuwe Bestuur van de Veiligheid van de Staat opgericht.  In eerste instantie wordt Walter Ganshof van der Meersch aangesteld als Auditeur-generaal bij het Krijgshof.  Vervolgens worden de inlichtingendienst van de 2de Afdeling van de Generale Staf van het Leger en de Directie Openbare Veiligheid samengesmolten tot een enkel organisme: het Bestuur van de Veiligheid van de Staat.  Het bestuur zal geleid worden administrateur-generaal Robert de Foy.  Samen met inspecteur-generaal Fernand Louwage krijgt hij de bevoegdheid van officier van gerechtelijke politie en is hij rechtstreeks verantwoording verschuldigd aan de Auditeur-generaal Ganshof.  De officieren van de 2de Afdeling die overgaan naar de nieuwe dienst worden beëdigd als agent van gerechtelijke politie.  Dit betekent dat zij onder meer gerechtelijke arrestaties, fouilleringen en huiszoekingen mogen uitvoeren.  Het Ministerie van Justitie blijft verantwoordelijk voor de Directie Vreemdelingenpolitie, zodat van een algehele integratie van de inlichtingendiensten geen sprake is.

Na WO2 zal Kolonel SBH Victor Neefs verklaren dat tussen de mobilisatie van 1930 en de het moment van integratie van de veiligheidsdiensten de 2de Afdeling van Generale Staf van het Leger direct bijgedragen had tot de arrestatie van 43 buitenlandse spionnen.

Dat de CIPAC een geheime dienst was, blijkt onder meer uit het jaarboek der officieren waar Cdt Dufrasne gewoon genoteerd staat als een medewerker van het Ministerie van Landsverdediging.

Dat de CIPAC een geheime dienst was, blijkt onder meer uit het jaarboek der officieren waar Cdt Dufrasne gewoon genoteerd staat als een medewerker van het Ministerie van Landsverdediging.

In het voorjaar van 1940 werd binnen de militaire veiligheidsdienst ook de geheime dienst CIPAC opgericht.  Deze afkorting staat voor Service de Contre-Information et de Protection de l’Armée en Campagne.  De dienst wordt geleid door Rijkswacht Kapitein-commandant René Dufrasne en bestaat uit gendarmes in burger die zich toeleggen op binnenlandse contraspionage.  De dienst zal een groot bestand aanleggen met namen van Vlaams-nationalisten en Rexisten van wie gevreesd wordt dat ze voor de Duitse overheid kunnen werken. De CIPAC is bijlange niet de enige instantie die dergelijke lijsten aanlegt.  Ook elders binnen de Staatsveiligheid gebeurt dit, net zoals op de Directie Vreemdelingenpoltie en bij talrijke lokale besturen.  Eind april 1940 blijken ook diverse Procureurs-generaal binnen hun gerechtelijke gebieden instructies uit te vaardigen om bestanden met namen van verdachten aan te leggen.  Deze namen worden vaak aangereikt door politie en rijkswacht.

Een tweede taak die toegewezen wordt aan Kapitein-commandant René Dufrasne bestaat uit het installeren van een aantal geheime zender-ontvangers in samenwerking met Kapitein-commandant Alfred Dorsimont van de 2de Luister- en Meetcompagnie van het Regiment Transmissietroepen van het Leger.  Er wordt telkens een toestel opgesteld bij vertrouwenspersonen te Antwerpen, Gemmenich, Spa, Verviers en zelfs Aachen.

Een slagorde van de officieren die bij het Bestuur van de Veiligheid van de Staat dienden, is nooit vrijgegeven.  Wel blijkt uit de personeelsdossiers dat Luitenant R. Lechat ingezet werd als hoofdcommissaris en aangesteld werd in de graad van Majoor.  De Luitenanten H. Bastin, M. Baudewyns, P. Dane, H. Decobecq, J. Depauw, J. Hendrix, E. Massart, J. Mortier, L. Pacques, A. Vankerckvoorde, H. Verhulsel, en de Onderluitenanten E. Denis, P. Demez, F. Mareschal en A. Rolle dienden allen als commissaris.

Krantenbericht uit Het Nieuwsblad van 11 mei 1940.

Krantenbericht uit Het Nieuwsblad van 11 mei 1940.

Tijdens de nacht van 9 op 10 mei 1940 staat Auditeur-generaal Walter Ganshof van der Meers in nauw contact met het Groot Hoofdkwartier, de Eerste Minister Hubert Pierlot en de Minister van Justitie Paul-Émile Janson.  Nog tussen het tijdstip van de Duitse aanval op onze oostgrens en de beslissing van de regering omstreeks 06u00 om de Belgische neutraliteit formeel op te heffen, laat Ganshof door de regering de staat van beleg afkondigen bij Koninklijk Besluit.  Dit is het startschot om de aanhoudingsbevelen met betrekking tot verdachte personen door te geven aan de Krijgsauditeurs bij de legerkorpsen en op provinciaal niveau.  De bevelen verspreiden zich razendsnel per telefoon en telegraaf.  Het Ministerie van Justitie brengt ook de parketten op de hoogte.  Daarnaast laat het Ministerie van Justitie door de gemeentebesturen affiches aanplakken die aan alle onderdanen van vijandelijke staten beveelt om zich binnen de twee uur aan te bieden met dekens en met levensmiddelen voor 48u.

Deze beslissingen hebben een hele reeks operationele consequenties voor het leger.  Vooreerst zullen te Brussel, Antwerpen, Doornik, Bergen en Charleroi kazernes aangeduid worden als voorlopige interneringspunten voor de geïnterneerden van deze agglomeraties.  Vervolgens dienen de militaire overheden te zorgen voor transport per trein van uit alle hoeken van het land naar Doornik, Bergen en Charleroi waar grote interneringscentra ingericht zullen worden.  Tevens moet de ravitaillering voorzien worden.  Dit alles zal via de provinciestaven en de plaatscommando’s georganiseerd worden.

Bij de dienst CIPAC wordt Luitenant R. David toegevoegd aan de Belgische verbindingsmissie bij de staf van de British Expeditionary Force die geleid wordt door Luitenant-generaal Albert Nyssens.  Of dit ook bij de verbindingsmissie voor de Franse legerstaf gebeurt, is niet geweten.  Ook is het niet duidelijk of deze inzet van CIPAC een factor is bij de talrijke arrestaties die de Britse en Franse troepen in ons land zullen uitvoeren [4].

Overal te lande worden arrestaties uitgevoerd van verdachte personen door de burgerlijke en militaire overheden.  Aan de militaire kant gebeurt dit niet alleen door de diensten van de Veiligheid van de Staat, maar ook door talrijke detachementen van de eenheden van het veldleger en de territoriale troepen.   

De Belgische regering beslist dat alle opgepakte personen naar Frankrijk moeten overgebracht worden.  Het Ministerie van Justitie en het Ministerie van Verkeerswezen worden verantwoordelijk voor de uitvoering die via het spoor zal gebeuren.  De Veiligheid van de Staat moet echter voor militairen zorgen om de konvooien te begeleiden.  Een van de eerste treinstellen vertrekt nog op 12 mei van uit Brussel onder leiding van Luitenant Mario Demarchi, met aan boord honderden Duitse staatsburgers die in de Kazerne Rolin van Etterbeek verzameld werden.  Deze trein zal uiteindelijk La Fouga nabij Toulouse bereiken.

Verschillende treinstellen verlaten de hoofdstad.  Luitenant Adolphe Lavallée begeleidt een trein met ongeveer 1.300 verdachten die op 17 mei zal aankomen te Le Vigeant in het departement Vienne.  Luitenant Jules van Duppen superviseert een treinstel dat via Tourcoing en Montauban zal doorrijden naar het Franse interneringskamp te Sainte-Livarde-sur-Lot.

De dienst CIPAC stuurt Joseph Freund naar de Oostkantons.  Deze in 1938 gerekruteerde vluchteling uit Duitsland moet, voorzien van valse papieren, door de frontlijn glippen met als opdracht contact te maken met de radio-operatoren te Gemmenich en te Spa.  Deze missie zal mislukken en Freund zal in juli 1940 door de Duitsers opgepakt worden.

Tussen 10 mei en 15 mei zijn ook in de Brugse gevangenis ‘t Pandreitje 79 verdachte personen opgesloten.  Onder hen bevinden zich niet alleen de leiders van het Verdinaso, Joris van Severen, en van Rex, Léon Degrelle, maar ook 19 andere personen waarvan lang na WO2 zal aangetoond kunnen worden dat zij inderdaad voor de Duitsers werkten.  Op 15 mei worden alle arrestanten in in drie autobussen via Oostende naar Duinkerke gereden, waar Degrelle uit de groep gehaald wordt.  De bedoeling is om de overige personen naar het zuiden van Frankrijk over te brengen.

Vermoedelijk rond 16 mei wordt te Ruiselede een interneringscentrum voor verdachten ingericht.  Dit centrum wordt geleid door Luitenant J. Mortier.  Van de aard van de inzet zijn geen verdere gegevens bekend [4].

Terwijl het Groot Hoofdkwartier in ons land zal blijven om het veldleger te leiden, vertrekt het Ministerie van Landsverdediging samen met het grootste gedeelte van de diensten van het achtergebied naar Frankrijk.  Ook de meeste Ministers en parlementsleden vertrekken naar het zuiden om uit de handen van de bezetter te blijven.  Auditeur-generaal Walter Ganshof van der Meersch volgt het Ministerie van Landsverdediging, samen met het Bestuur van de Veiligheid van de Staat.  De diensten zullen zich uiteindelijk in Poitiers installeren.  Administrateur-generaal Robert de Foy blijft evenwel in ons land.

Op 18 mei kom te Oostende een treinstel aan met verdachte personen uit het binnenland en met ‘gevangengenomen valschermspringers’.  Een poging om hen over het kanaal te brengen mislukt door gebrek aan een geschikt schip.  Enkele tientallen personen kunnen wel ingescheept worden, maar de rest wordt opgesloten in de gebouwen van het station van Oostende.

Aan het eind van de namiddag vertrekt van uit Oostende een trein met ongeveer 250 verdachte Belgen, Duitsers, Oostenrijkers en Nederlanders.  De trein zal via Torhout naar Veurne rijden om uiteindelijk op 22 mei vast te komen zitten te Nieuwpoort.  De arrestanten worden vervolgens opgesloten in het Kamp van Lombardsijde.

Op dezelfde dag zijn de drie autobussen met de 79 arrestanten uit Brugge aangekomen te Abbeville.  Bij gebrek aan plaats in de lokale gevangenis worden deze personen opgesloten in de kelder onder de muziekkiosk in het park van de stad.  De gevangen worden ook overgedragen aan de Franse Capitaine Marcel Dingeon, bevelhebber van de 5de Compagnie van het 28eme Régiment Régional de Garde.

Wanneer te Abbeville paniek ontstaat over het nieuws dat de Duitse pantsertroepen de Atlantische kust bereikt hebben, besluit Capitaine Marcel Dingeon om de Belgische gevangenen te executeren.  Van de 79 personen worden er 21 neergeschoten vooraleer een einde aan de terechtstellingen wordt gesteld.  

De Veiligheid van de Staat bezorgt op 29 en 30 mei aan de Franse Direction Générale de la Sûreté Nationale twee lijsten met namen van verdachte personen waarvan vermoed wordt dat ze in Frankrijk ondergedoken zijn.

Na de capitulatie

Nog tijdens de Achttiendaagse Veldtocht start de Duitse militaire inlichtingendienst, de Abwehr, met een onderzoek naar de Belgische arrestaties.  De Duitsers willen in eerste instantie hun eigen geheime agenten uit de handen van de geallieerden houden,  In nauwe samenwerking met het VNV, maakt de bezetter echter ook de repatriatie mogelijk van talrijke Vlaams-nationalisten die naar Frankrijk werden gedeporteerd.  Een eerste konvooi met personen die opgesloten werden in het interneringskamp van Saint-Cyprien komt aan in de hoofdstad op 10 juli.

Teruggekeerde arrestanten op 10 juli 1940 aan het Brusselse Noordstation.

Teruggekeerde arrestanten op 10 juli 1940 aan het Brusselse Noordstation.

Bij de capitulatie van het leger in België bevindt de chef van de CIPAC, Kapitein-commandant René Dufrasne, zich nog op het grondgebied.  De bezetter is blijkbaar niet op de hoogte van zijn werkelijke rol en laat hem dan ook met rust.  Dufrasne gaat aan de slag op de staf van de Rijkswacht waar hij samen met Luitenant Marcel Van Caester al snel begint met het verzamelen van inlichtingen over de vijand.  De top van het Vlaams Nationaal Verbond (VNV) heeft het echter op de officier gemunt en stuurt verscheidene vertrouwelijke rapporten ten laste van Dufrasne naar het Duitse militaire bestuur. Aan het eind van 1940 wordt het tweetal Dufrasne en Van Caester gerekruteerd door de inlichtingendienst Zéro, maar nog geen jaar later worden de beide rijkswachters opgepakt nadat een clandestiene zender ontdekt was bij een ambtenaar van de Regie voor Telegraaf en Telefoon.  René Dufrasne wordt geëxecuteerd in het concentratiekamp van Sachsenhausen.

Slachtoffers

Geen slachtoffers gekend.

Bibliografie en Bronnen

  1. Sebrechts, F., 2014, De weggevoerden van mei 1940. Antwerpen: De Bezige Bij
  2. Lasoen, K. 2020, Geheim België. Tielt: Lannoo
  3. Verhoeyen, E.,  2009, De Abwehr en ‘de verdachten van mei 1940’. ‘Wetenschappelijke Tijdingen’ LXVIII (4): 302-316
  4. Interview met Robert de Foy in weekblad Pourquoi Pas? van 24 maart 1939. [On Line beschikbaar]: https://www.belgicaperiodicals.be/pageview.php?adv=1&all_q=&any_q=&exact_q=robert%20de%20foy&none_q=&from_d=1939&to_d=&per_lang=&per=&sig=B%20457&lang=EN&per_type=1 [Laatst geraadpleegd op 26 augustus 2022].
  5. Slagorde Groot Hoofdkwartier, Sectie Classified Archives, Algemene Dienst Inlichting en Veiligheid, Ministerie van Defensie.
  6. Achtergrondinformatie betreffende “administratief geïnterneerde buitenlanders van vijandige naties”  kan gevonden worden in document van het SOMA “Gewillig België” p. 167. [On Line beschikbaar]: http://www.senate.be/event/20070213-jews/doc/eindverslag.pdf [Laatst geraadpleegd op 25 augustus 2022].
  7. Verhoeyen, E.,  2009, De Abwehr en ‘de verdachten van mei 1940’. ‘Wetenschappelijke Tijdingen’ LXVIII (4): 302-316.
  8. Cools, M., Classified. Honderd jaar Belgische Militaire Inlichtingen- en Veiligheidsdienst. Antwerpen: Gompel & Svacina.