Algemene Magazijnen van de Bevoorradingsbasis

Situatie op 10 mei 1940

Reglementaire benaming Algemene Magazijnen van de Bevoorradingsbasis
Magasins Généraux de la Base d’Approvisionnement | MGBA
Type Territoriale Logistieke Steuneenheid
Ontdubbeld van n.v.t.
Onderdeel van Territoriale Troepen en Etablissementen
Bevelhebber Kolonel Intendant Ceuppens
Standplaats Antwerpen, Namen, Oostende
Samenstelling 1ste Provianddienst Antwerpen Magazijn Rantsoenbiscuit
Magazijn Geconserveerde Vleeswaren
Havermagazijn
Algemeen Beddegoedmagazijn
1ste Compagnie
2de Provianddienst Antwerpen Havermagazijn
2de Compagnie
3de Provianddienst Antwerpen (Majoor Servaes) Tarwemagazijn
3de Compagnie (Lt P. Gilson)
1ste Provianddienst Namen Levensmiddelenmagazijn
Magazijn Ingevroren Vleeswaren
4de Compagnie

De Algemene Magazijnen van de Bevoorradingsbasis zijn verantwoordelijk voor de stockage van de strategische voorraden aan essentiële voedingsmiddelen en legeringsvoorwerpen.

De magazijnen zijn verspreid over verschillende grote steden van ons land.

Te Antwerpen bevinden zich onder meer de opslagplaatsen voor het noodrantsoen aan legerbiscuit en aan vlees in blik. De provianddienst van Antwerpen beheert via zijn derde compagnie ook drie militair entrepots te Oostende.

Te Namen wordt dan weer een grote hoeveelheid diepvriesvlees bewaard.

In een document van januari 1940 wordt bevestigd dat de magazijnen in staat dienen te zijn om het leger gedurende 45 dagen te bevoorraden en steeds de volgende hoeveelheden dienen te stockeren:

  • 20.000 ton tarwe
  • 2.440 ton ingevroren vlees
  • 2.350.000 rantsoenen van 300 gram vlees in blik
  • 955 ton groene koffie
  • 155 ton gebrande koffie
  • 1.220 ton chicorei
  • 765 ton gedroogde peulvruchten
  • 7,6 ton peper
  • 885 ton zout
  • 915 ton suiker
  • 2.350.000 rantsoenen van 500 gram legerbiscuit
  • 13.300 ton haver
  • 2.200 ton hooi (voorraad voor 15 dagen)
  • 2.200 ton stro (voorraad voor 8 dagen)

Een militair slachthuis in het voorjaar van 1940.

Daarnaast worden ook nog belangrijke voorraden aangemaakt door de twee andere organismen belast met de opslag en levering van dezelfde levensmiddelen: het Magazijnstation en de Territoriale Intendancekorpsen. Samen moeten deze beide diensten nog eens voldoende levensmiddelen voor veertig dagen bevoorrading aan onze troepen bijhouden. Om dit alles te verwezenlijken gaat de krijgsmacht vanaf de mobilisatie van 26 augustus 1939 over tot grote aanbestedingen bij diverse leveranciers,

Ingevroren vlees wordt aangekocht in partijen van 500 tot 1000 ton via invoerders in de Antwerpse haven. De firma’s Danish Meat Packers, Weddel Meat, Swift, Argentinian and Australian Meat Company, Armour en Wilson leveren allen belangrijke hoeveelheden per stoomschip. Het vlees wordt vrijwel exclusief uit Brazilië, Argentinië en Uruguay ingevoerd als ingevroren voorkwartieren of achterkwartieren.

Vlees in blik komt dan weer van de firma’s Kaufmann, Boost Frères, Alaska, Libby en Armour en wordt door het leger aangekocht in hoeveelheden van een kwart miljoen tot twee miljoen blikken. Ook hier weer gaat het uitsluitend om Zuidamerikaans rundsvlees, hetzij boiled beef of corned beef.

Smout wordt aangekocht bij zowel binnenlandse als buitenlandse bedrijven en is afkomstig van de varkenskweek. Een aantal ladingen worden verscheept via de havens van New York en Chicago.

Naast binnenlands stro, koopt het leger in april 1940 ook twee grote partijen aan in het buitenland. De Nederlandse Bond voor Stro-exporteurs levert nog op de valreep 5000 ton, terwijl 1000 ton uit Slovakije moet komen. Deze lading wordt echter niet geleverd voor de Duitse inval.

Sommige van deze levenswaren worden echter niet permanent door het leger in voorraad aangehouden en de oorlogsplanning voorziet dat deze stocks slechts bij een daadwerkelijke vijandelijke inval zullen opgevorderd worden. Zo wordt op 10 mei 1940 te Antwerpen overgegaan tot de opeising van 20.000 ton tarwe uit de silo’s van de haven. Deze partij tarwe zou enerzijds via de Benedenschelde naar de kust gebracht worden en anderzijds via de Bovenschelde en de binnenwateren richting Gent gestuurd worden. Het plan wordt slechts ten dele uitgevoerd.

De rest van de algemene magazijnen wordt, naar mate de Duitse opmars vordert, naar het westen van het land overgebracht. Zo worden de laatste installaties te Antwerpen verlaten op 17 mei.

Om de ophoping van al te grote hoeveelheden aan voorraden in West-Vlaanderen te vermijden, wordt gepland om de Algemene Magazijnen samen met de Uitrustingdienst over te brengen naar Noordfrankrijk in de zone tussen Calais en Boulogne. Op 18 mei vertrekt de commandant van de Algemene Magazijnen op verkenningsmissie met een installatieploeg. Terzelfder tijd worden enkele konvooien met binnenschepen samengesteld om de bulkgoederen over te brengen. Een eerste konvooi onder leiding van Luitenant der Administratie Gilson verlaat de streek van Oostende op 18 mei. Twee dagen later vertrekt een tweede konvooi via de kanalen van de Westhoek naar Frankrijk.

Na de capitulatie

Slachtoffers

Geen gesneuvelden bekend.

Bibliografie en Bronnen