Artillerie

In mei 1940 had ons leger een relatief uitgebreid artilleriewapen. Het geschut was gegroepeerd in regimenten die elk uit een aantal groepen bestonden. Een groep bij de artillerie kan beschouwd worden als het equivalent van een bataljon bij de infanterie. Een artilleriegroep omvatte dan weer meerdere batterijen met elk een aantal vuurmonden. Hoewel het artilleriewapen over veel materieel beschikte bezat het ook heel wat kanonnen die aan het eind van de eerste wereldoorlog verworven werden en die al dan niet werden gemoderniseerd in de aanloop naar de Tweede Wereldoorlog.

De artillerie was ook toen een gevechtsondersteunend wapen. Artillerieformaties werden toegevoegd aan de gevechtseenheden volgens de noden van het gevecht:

  • Elke infanteriedivisie van het actieve leger en van de eerste reserve had zijn eigen veldartillerieregiment (divisieartillerie) bestaande uit vier groepen waarvan meestal aan elk infanterieregiment van de divisie één groep in directe vuursteun werd toegewezen. Eén groep werd voorbehouden voor algemene vuursteun aan de ganse divisie. De divisie kon bovendien versterkt worden met bijkomende artillerie-eenheden.  Elke divisie had een zogenaamde C.A.D.I (Commandant d’Artillerie de Division d’Infanterie) die de vuursteun coördineerde, zowel van zijn eigen eenheid als van de artillerie-eenheden die in vuurversterking van de divisie werden gegeven.
  • De infanteriedivisies van de tweede reserve en de cavaleriedivisies hadden een veldartillerieregiment dat slechts twee groepen groot was. Bij de cavaleriedivisies was dit regiment gemotoriseerd.
  • De meeste legerkorpsen beschikten over een eigen veldartillerieregiment (legerkorpsartillerie) bestaande uit zes groepen. Deze groepen beschikten over zwaardere kanonnen die vuursteun konden geven op langere afstand. Meestal werd aan elke divisie van het legerkorps twee groepen van de legerkorpsartillerie in directe vuursteun gegeven. De twee resterende groepen werden in algemene steun van het legerkorps gehouden.
  • Op het hoogste niveau kon het leger beschikken over enkele veldartillerieregimenten (legerartillerie) uitgerust met de allerzwaarste kanonnen. Het Groot Hoofdkwartier bracht via de Generale Staf der Legerartillerie de groepen van deze regimenten samen in een aantal tactische groeperingen voor bijkomende vuursteun.
  • De luchtdoelartillerie verzekerde de verdediging tegen luchtaanvallen.