Verdedigingsplan

Binnen het neutraliteitskader werd door onze legerleiding en door de geallieerden een nieuw verdedigingsplan opgesteld toen het duidelijk werd dat van alle landsgrenzen de oostgrens het meest bedreigd werd. Het geallieerde Plan Dyle ontstond toen de nazi’s zich als de agressors van Europa profileerden. Het plan bestond er in dat het Belgische leger zich stapsgewijs zou terugtrekken naar het centrale gedeelte van het land, terwijl de Britten en Fransen België vanuit het westen zouden oprukken om de Duitse invaller tegen te houden van op oevers van de Dijle. Om dit plan te realiseren voorzag ons land in een aantal defensieve stellingen doorheen het ganse grondgebied. Elk van deze stellingen kreeg een naam mee:

  • Alarmstelling: Deze stelling liep langs de grens doorheen de provincies Antwerpen, Limburg, Luik en Luxemburg en bestond uit een reeks alarmposten en observatieposten. Hier werden lichte troepen opgesteld om de vijand in het oog te houden, het Groot Hoofdkwartier te alarmeren bij een inval en om een aantal snelle vernielingswerken uit te voeren. De Grenswielrijders werden onder andere in dit kader opgericht.
  • Vooruitgeschoven Stelling: Wat verder in het binnenland werden bunkerlinies en steunpunten aangelegd om de vijand af te remmen, terwijl de rest van het leger zijn hoofdposities zou innemen. Deze linie liep in het noorden van het land grosso modo over het Verbindingskanaal Maas-Schelde. In dit gebied zouden wegen, bruggen, tunnels, viaducten, spoorwegen en telefooncentrales worden vernield om het de Duitsers lastig te maken, en dienden de troepen vervolgens teruggetrokken worden naar de K.W. Stelling. De 18de Infanteriedivisie, de cavalerie, elementen van het IIIde Legerkorps en de Ardeense Jagers waren de voornaamste formaties die deze taak moesten vervullen.
  • Dekkingsstelling: Deze stelling werd vanaf eind 1939 bemand door maar liefst 14 divisies; meer dan de helft van het Belgische leger. De Dekkingsstelling liep langs het Albertkanaal en de Maas van Antwerpen via Luik tot Namen. Langs het Albertkanaal stond om de 600 meter een bunker met twee mitrailleurs. Alle bruggen werden ondermijnd met springladingen, velden werden onder water gezet en tankversperringen opgebouwd. De Versterkte Posities van Luik en Namen maakten deel uit van deze stelling.
  • Weerstandsstelling: Van het Fort van Koningshooikt tot in Namen liep de verdedigingslijn waarop de Duitse invaller tot staan zou worden gebracht. Het gedeelte van Koningshooikt tot in Leuven zou aan de Belgen toebehoren en de geallieerden zouden mooi aansluiten in het zuiden. Het Belgische deel wordt het vaakst omschreven als de K.W. Stelling of K.W. Linie. De K.W. Stelling is bekend omwille van de talrijke anti-tankgrachten, bunkers en grote ijzeren anti-tank hekkens die C-elementen of Cointet-elementen werden genoemd.
  • Nationaal Bolwerk (Réduit National): Als uiterste verdedigingslinie zou de Bovenschelde gebruikt worden, met de Versterkte Positie Antwerpen en het Bruggenhoofd Gent als scharnierpunten. De visie was dat onze krijgsmacht zich zou terugtrekken naar dit deel van het land om daar met steun van de geallieerden een vijandelijke invaller gedurende onbepaalde tijd het hoofd te kunnen bieden.
  • Overige stellingen: Onder meer tussen Halle en Ninove werd een bijkomende verdedigingslinie naar het zuiden voorzien. Ook langsheen de kust werden diverse werken uitgevoerd.  Deze linies waren lang niet volledig in 1940.